e meeste paashazen zijn altijd in een goed humeur. Vrolijk huppelen ze door het open veld met een mandje om de arm. Een mandje goed gevuld met chocolade-eieren in alle kleuren van de regenboog. Rood, blauw, gestippeld en gestreept. Jij noemt het, de paashaas heeft het. Hij verstopt de eieren door het hele land. Je moet dus heel goed zoeken om ze te vinden! Maar dit jaar is er iets vreemds aan de hand. Wat zit de paashaas daar toch sip te kijken. Hij zit te puffen en te kreunen…

at is er toch met hem aan de hand? Als je het hem vraagt, komt er geen zinnig woord uit. Hij mompelt wel iets vaags, maar meer dan bluihuikplijn kan je er niet van maken. Bluihuikplijn? Nou, daar heb ik nog nooit van gehoord. Maar wacht, bedoelt hij soms buikpijn? Hé, de paashaas is ziek! O jéé, hoe moet dat nou? De eieren moeten nog verstopt worden en er zijn nog honderden eieren die geverfd moeten worden. Dat komt nooooooit op tijd af. “Maar hoe kom je dan zo ziek?” “Ik weet het niet”, zegt de paashaas. “Ik heb denk ik teveel eieren gegeten en nu poep ik ze weer vierkant uit. En mijn buik doet zo’n pijhijn. Ik heb veel te veel stiekem van de eieren gesnoept.” 

et is toch een beetje een raar verhaal. Een paashaas die vierkante eieren poept. Tijd om op onderzoek uit te gaan! Je kunt nog zo veel eieren snoepen, maar vierkant worden ze nooit. Toch maar een paar eieren onderzoeken uit het mandje. Hup, mee naar het lab en kijken of er misschien iets raars in de eieren zit. Je weet het maar nooit met al die enge ziektes de laatste tijd. De gekke koeienziekte, de gekke kippenziekte, de klappertandziekte en groengele uitslag. Hoe je er aan komt, is alleen altijd de vraag. En hoe je er weer vanaf komt, dat is nog veel belangrijker. Maar wat is dat nu? Het lijkt wel of de eieren ziek zijn! En niet zomaar ziek. Ze lijken wel bespoten te zijn met een heel gemeen goedje! Jaja, dit is zeker een geval van de kubusziekte. Maar hoe komen die eieren dan zo besmet? Ze kunnen niet uit zichzelf zo ziek zijn geworden. Iemand moet ze bespoten hebben met de speciale kubuslijm. En daar word je heel erg ziek van. Maar wie doet er toch zoiets? Dat zou ik wel eens willen weten!

ijd om verder op onderzoek uit te gaan. “Paashaas, waar heb je de eieren vandaan?” “Uit de kippenboerderij van boer Wolf”, zegt de paashaas. “Dan gaan we daar eerst naar toe. We kunnen daar vast wel een spoor vinden.” En dat is inderdaad het geval. Juist op het moment dat ze de kippenstal binnenlopen, zien ze nog snel iemand wegrennen. Als de wiedeweerga er achteraan, want dat is wel heel erg verdacht. Dat moet vast de dader zijn. Stiekem volgen ze de dader. En ja hoor, daar is hij! In een open plek in het bos zit hij op een boomstam. Maar wat is dat? Hij lijkt precies op de paashaas. Dat kan toch niet waar zijn. Zijn er soms twee paashazen? Het is nu in ieder geval zeker dat hij de dader is! Kijk maar eens, hij zit de eieren met iets te besmeuren! En naast hem staat een hele grote pot met kubuslijm. Zou dit soms een dubbelganger van de paashaas zijn? Ok, het wordt nu tijd om deze neppaashaas te overvallen, want nu is de echte paashaas heel erg ziek en kan hij zijn werk niet op tijd afkrijgen!

é, wat doe jij daar?” Verschrikt kijkt de nephaas om. Hij probeert zich zo snel mogelijk uit de voeten te maken. Maar zo makkelijk komt hij er niet vanaf! Gelukkig kan de nephaas nog net op tijd in zijn nekvel gegrepen worden! “Maar wat is dat? Jij bent helemaal geen paashaas. Jij bent hartstikke nep!” En ze trekken het masker van zijn hoofd. “Ok, ok”, zegt de nephaas. “Ik kan alles verklaren”. 

a veel snikken en snotteren komt het hele verhaal eruit. “Ik ben een heel jaloers kanariepietje. Ik heb ook nooit een kanariepietje willen zijn. Van kleins af aan heb ik er al van gedroomd om een paashaas te zijn. Het lijkt me het mooiste dat mij kan overkomen. Alle kinderen gelukkig maken met mijn chocolade-eieren. Maar er kan natuurlijk maar één iemand de paashaas zijn. En er was al een paashaas. Ik wist dus zeker dat ik nooit een echte paashaas kon worden! Er zat dus maar één ding op... Zorgen dat de echte paashaas ziek zou worden.”

k had thuis nog een pot kubuslijm staan, dus daar heb ik toen alle eieren die ik kon vinden mee ingesmeerd. Ik wist namelijk dat de paashaas heel veel van de eieren snoept en hij dus vanzelf ziek zou worden. En als hij ziek zou zijn, dan kon ik voor paashaas spelen. Oh, ik heb er zo’n spijt van. Hoe kan ik het ooit nog goedmaken?” “Ik weet het goed gemaakt”, zegt de paashaas. “Als jij nu eerst alle eieren weer schoon gaat maken, dan praten we verder. Ik weet zeker dat we iets kunnen vinden zodat je het weer goed kunt maken”.
Als een gek begint de kanariepiet alle eieren te zoeken. Als hij ze allemaal bij elkaar heeft, stopt hij ze in een grote teil met water en doet er heel veel zeep in. Hij begint te boenen en te poetsen alsof zijn leven er vanaf hangt. Net zo lang tot alle kubuslijm weg is. Daarna poetst hij alle eieren nog eens extra op, doet er een mooie strik omheen en stopt ze in een grote mand. Dan gaat hij weer terug naar de paashaas. 
“Kijk paashaas”, zegt de kanariepiet. “Ik heb alle eieren weer schoon gemaakt.” “Goed zo”, zegt de paashaas. “Dan weet ik nu een manier voor je om het weer helemaal goed te maken. Het zit namelijk zo: ik doe dit werk al heel erg lang. Ik heb al duizenden eieren geverfd en verstopt. Natuurlijk is het ieder jaar weer leuk als je al die vrolijke kindergezichtjes ziet, maar ik begin oud te worden. Te oud om met die grote mand met eieren rond te lopen. Omdat ik nooit getrouwd ben geweest, heb ik dus ook geen kinderen. Er is dus niemand die mij op kan volgen. Ik heb al een tijdje rond gekeken, op zoek naar een geschikte kandidaat. Maar ik heb nog niemand kunnen vinden die goed genoeg was. Wat dacht je er van om mij op te volgen?”

hoeppiieeeee!!!!”, schreeuwt het kanariepietje van vreugde. “Je weet niet hoe blij je mij daar mee maakt. Ik ben op het moment het gelukkigste kanariepietje van de hele wereld!! Meen je het echt? Mag ik echt een paashaas worden?” “Ja”, zegt de paashaas. “Ik weet zeker dat jij een hele goede paashaas zult worden. Maar we moeten nu wel heel snel aan het werk. Er moeten nog honderd eieren geverfd worden en alle eieren moeten nog verstopt worden. Laten we dus maar snel aan de slag gaan!”
Nadat de kanariepiet helemaal ingewerkt is en alles over Pasen weet, zegt de paashaas: “Kanariepiet, het wordt tijd dat je het in je eentje gaat klaren. Ik ga ervandoor.” “Maar waar ga je dan naartoe?”, vraagt de kanariepiet. “Nou”, zegt de paashaas. “Ik denk dat ik maar eens op een langverdiende vakantie ga. Dat heb ik zo onderhand wel verdiend. Je moet het werk van de paashaas niet onderschatten. Het is een hele zware baan. Ik wens je heel veel sterkte.” ”Dank je”, zegt de kanariepiet. “Ik weet zeker dat het me gaat lukken”

anaf dit jaar doet de kanariepiet ieder jaar zijn werk als paashaas. Hij huppelt vrolijk door het open veld met een mandje gevuld met eieren onder zijn arm. Als je dus voortaan een vrolijk haasje tegenkomt, die met veel plezier de eieren aan het verstoppen is, bedenk dan goed dat dit helemaal geen haasje is. Het is stiekem een verkleed geel kanariepietje!